Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Navigation

Persoonlijke hulpmiddelen

Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home / Reflectiekader / Duurzame ontwikkeling
U bent hier: Home / Reflectiekader / Duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling

Kindertuin

Kindertuin, Sint-Gisleinsstraat te Brussel, V. Horta, 1895-98.Beschermd in 1976. Restauratie B. Van der Wee
© KCML - Foto Ch. Bastin en J. Evrard

Sinds enkele jaren is het streven naar duurzame ontwikkeling een belangrijk agendapunt geworden op internationaal, federaal en gewestelijk niveau.

In haar meest algemene omschrijving betekent duurzame ontwikkeling het streven naar het vervullen van de eigentijdse behoeften zonder de behoeften van de komende generaties in het gedrang te brengen. Het doel is een globale strategie te ontwikkelen waarbij men uitgaat van de onderlinge samenhang van systemen, en dit in tegenstelling tot de sectoriële aanpak van de traditionele stedenbouw. Duurzame ontwikkeling richt zich in haar streven naar harmonie tussen  menselijke activiteit en het behoud van de omgeving per definitie op de lange termijn. Eén van haar peilers is dan ook het spaarzaam omspringen met beperkt voorradige grondstoffen, hetgeen ook rechtstreeks de oorspronkelijke betekenis van het begrip economie in herinnering brengt Ook de erfgoedzorg is op de lange termijn gericht in haar streven naar het doorgeven van waardevol erfgoed aan de komende generaties. Hoewel het erfgoed dus als het ware een natuurlijke bondgenoot van duurzame ontwikkeling is, wordt het zelden in rekening gebracht in het hedendaagse denken over dit thema. Het behoud van het erfgoed wordt nog al te vaak als bijkomstig of te duur beschouwd, en niet als een krachtdadig instrument in een geïntegreerd, duurzaam beleid.

Vandaag woont 80% van de Europese bevolking in steden. Benadert men de stad als systeem, dan wordt duidelijk dat steden zoals Brussel voor hun stijgende welvaart en ontwikkeling energie en grondstoffen moeten putten uit een gebied dat enkele honderden malen groter is dan hun geografische omvang. Zo is de "ecologische voetafdruk" van Brussel ca. 400 maal groter dan haar eigen oppervlakte (dus ongeveer 2 maal zo groot als de totale oppervlakte van België). Deze cijfers tonen aan dat het denken over de duurzame stad gericht moet zijn op het spaarzaam verbruik van beperkte voorradige ‘grondstoffen’, zoals ruimte (stedelijke vormen en densiteit), materialen (de bestaande bebouwing), energie (beperking van de verplaatsingen), enz. Het vrijwaren van de stedelijke morfologie en het doordacht omspringen met de bestaande gebouwen waarbij hun ruimtelijke en constructieve troeven ten volle worden uitgespeeld, zijn dan ook strategieën die volledig kaderen in de doelstellingen van duurzame ontwikkeling. Met andere woorden betekent dit het efficiënt beheer van en het spaarzaam omspringen met het stedelijk erfgoed in zijn breedste betekenis, namelijk die van beperkt voorradige grondstof. Door dit als een basisprincipe te hanteren, kent de Commissie aan het erfgoed een inhoud toe die de historische en culturele waarde van het individuele ‘monument’ ruimschoots overschrijdt. Wanneer men het erfgoed te eenzijdig benadert en de nadruk al te veel op zuiver historische of esthetische aspecten legt, dreigt erfgoedzorg immers herleid te worden tot het bewaren van een ‘beeld’, een stedelijk decor. In het verleden leidde dit al te vaak tot uitwassen, waarvan het façadisme ongetwijfeld het meest beruchte voorbeeld is, maar ook de zogenaamde Disneyland-rage die vandaag opgang maakt. De ‘materiële’ waarde van het erfgoed en zijn betekenis als beperkt voorradige ‘grondstof ’ worden in die praktijken genegeerd.

De benadering die gestoeld is op het voorzichtig en spaarzaam omspringen met het erfgoed sluit ook een eenzijdig museaal behoud uit. De aantrekkelijkheid van een stad als Brussel vloeit immers voort uit de diversiteit van haar bebouwing, open ruimten en groene zones. Wil men het erfgoed inpassen in het leven van vandaag en het een toekomst bieden, dan moet er op voortgebouwd kunnen worden. Om het erfgoed verder te zetten moeten de eigentijdse ingrepen op hun beurt een schakel vormen naar de toekomst. Dit kan pas wanneer die ingrepen, of het nu om bebouwing, aanleg van openbare ruimte of beplantingen gaat, het bestaande stedelijke weefsel mee articuleren en zijn morfologische kenmerken eerbiedigen. Hedendaagse interventies die als op zichzelf staande, autonome objecten worden opgevat, kunnen die schakelfunctie onmogelijk vervullen. Dit geldt ook voor de hedendaagse ingrepen op bestaande gebouwen en in het bijzonder op beschermd erfgoed, gebouwen of landschappen waaraan men dus bewust een bijzonder statuut heeft toegekend. Ook in die gevallen kan de eigentijdse ingreep pas echt een articulatie vormen wanneer men erin slaagt de antagonismen en tegenstellingen die zich stellen te overstijgen. Om ervoor te zorgen dat de bestaande en nieuwe delen compatibel zijn en elkaar niet tegenspreken, moeten, telkens opnieuw en geval per geval, de prioriteiten nauwkeurig worden vastgelegd en geordend. Wil men het erfgoed niet banaliseren maar herwaarderen, dan mag de eigentijdse ingreep niet beperkt worden tot een assimilatie van het bestaande of uitmonden in een amalgaam van tegenstrijdige elementen.

Het zoeken naar een evenwicht tussen de eeuwenlange stedelijke traditie enerzijds en de zeer snelle veranderingen waaraan de omgeving en de samenleving vandaag onderhevig zijn anderzijds, behoren tot de bekommernissen van de KCML. Het vermogen van een samenleving om zich te herbronnen of te vernieuwen, door haar eigen culturele en sociale waarden uit te dragen en te ontwikkelen, kan immers afgelezen worden uit de wijze waarop die samenleving haar erfgoed behoudt en er haar toekomst op voortbouwt.

Document acties