Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Navigation

Persoonlijke hulpmiddelen

Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home / Reflectiekader / Principes
U bent hier: Home / Reflectiekader / Principes

Principes

Glazen woning

Glazen woning. Beschermd in 1998
© MBHG - Foto Ch. Bastin en J. Evrard

Een belangrijk grondbeginsel voor de adviezen van de KCML is de algemeen erkende, internationale richtlijn die onderhoud en consolidatie voorrang geeft op restauratie. Restauratie moet op haar beurt verkozen worden boven de ‘identieke’ vervanging of de reconstructie van bouwonderdelen. Onderhoud en preventieve conservatie zijn ongetwijfeld de beste – en bovendien ook de goedkoopste – manieren om het voortbestaan van het erfgoed te verzekeren.

Ze maken het mogelijk de vaak kwalitatief hoogstaande of zeldzaam geworden materialen en de technische knowhow uit het verleden op lange termijn te behouden. Hierdoor wordt de vervanging van elementen beperkt, evenals het gebruik van hedendaagse materialen die niet zelden minder goede technische of esthetische kwaliteiten bezitten, een kortere levensduur hebben of een milieuvervuilend productieproces vergen. Sommige architecturale elementen zijn daarenboven onvervangbaar omdat het vakmanschap en de technieken niet langer gekend zijn.

De internationaal aanvaarde basisregel is een maximaal behoud van de oorspronkelijke elementen en materialen in situ. Restauratie en vervanging zijn daarentegen uitzonderingsmaatregelen en zware verbouwingen en afbraakwerken moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Eén van de gevolgen van het nieuwe wettelijke kader, meer bepaald het invoeren van een lijst van zogenaamde werken van gering belang, is echter dat de KCML nog vooral over die zwaardere interventies ondervraagd wordt. Zuivere onderhouds- en conservatiewerken – dé basis voor een verantwoorde erfgoedzorg –, die een grote vakkennis en specialisatie vergen, moeten niet meer aan de Commissie worden voorgelegd.

Vooronderzoek

Het is in dit licht dat men de vraag van de wetgever (toepassingsbesluit van 11/04/03, art. 38-38bis) en de Commissie moet begrijpen om bij de aanvang van elk project, en vooraleer het concept en de interventieprincipes worden bepaald, de historische en bestaande toestand van het gebouw of de site nauwgezet te documenteren. Om de meest gepaste behandelingen naar voor te kunnen schuiven, is het onontbeerlijk een duidelijke diagnose van de schadepatronen te stellen en deze exact te lokaliseren en te verklaren. Al deze informatie kan slechts aan de hand van grondig vooronderzoek worden vergaard. Dat onderzoek moet voor elk project worden uitgevoerd in functie van de aard van de waargenomen problemen. Het vooronderzoek maakt dus inherent deel uit van elk restauratieproject en vormt een absolute voorwaarde om de aard en de omvang van de ingrepen op het erfgoed – de behandelingen en restauratietechnieken, de te restaureren en te vervangen elementen – op voorhand nauwkeurig te bepalen en te lokaliseren.

Als die werkwijze niet wordt gevolgd, verhoogt de kans op onverwachte omstandigheden tijdens de werf en op een ongegronde selectie van de te behouden elementen. Bovendien zet dat de deur open voor ingrepen die afbreuk kunnen doen aan de authenticiteit van het erfgoed, zoals de volledige vervanging van bepaalde elementen, of voor behandelingen die niet geschikt zijn en, in het slechtste geval, onherstelbare schade kunnen toebrengen. Vervangingen kunnen slechts toegestaan worden wanneer de voorstudies duidelijk aantonen dat dit onontbeerlijk is, namelijk wanneer het behoud van bepaalde onderdelen risico’s inhoudt voor het behoud van het geheel. Zo zijn steenvervangingen enkel gerechtvaardigd wanneer de stabiliteit van het gebouw in het gedrang komt. Bij vervanging hanteert de Commissie het principe dat de gebruikte materialen zo veel mogelijk identiek moeten zijn aan de oorspronkelijke of er minstens compatibel mee zijn, zodat ze op termijn het behoud van het erfgoed niet in het gedrang brengen.

Authenticiteit

Hoewel het voorgaande principe is ingegeven door het streven naar een maximaal behoud van authenticiteit, is de Commissie er zich ten volle van bewust dat dit begrip met de nodige voorzichtigheid moet worden gehanteerd: authenticiteit mag niet herleid worden tot enkel de oorspronkelijke toestand van een gebouw. Ze moet integendeel begrepen worden in het licht van de historische gelaagdheid van een monument of landschap. Vele historische gebouwen zijn niet het resultaat van een eenmalige bouwcampagne, maar van diverse bouwfasen en/of verbouwingen. De kennis van die gelaagdheid vergt grondig (bouw)historisch onderzoek op basis waarvan de intrinsieke waarde van de opeenvolgende ‘lagen’ kan worden geëvalueerd en in een ruimere context geplaatst. Naast zijn documentaire waarde is dit onderzoek van essentieel belang voor het bepalen van een referentieperiode als leidraad voor de interventies. Het historische onderzoek vormt dan ook één van de peilers waarop het conservatie- of restauratiedossier gefundeerd moet worden.

Erfgoed observatorium

Bij afloop van de werf is het belangrijk de uitgevoerde werken en mogelijke afwijkingen van het vergunde dossier nauwkeurig te documenteren in een eindverslag. Hierdoor verzekert men de continuïteit in het doorgeven van informatie met het oog op verder onderhoud of toekomstige restauratiecampagnes. Heel nuttig zou ook de oprichting van een soort ‘erfgoedobservatorium’ zijn, waar de impact van de behandelingen en restauratietechnieken op lange termijn geëvalueerd kan worden.

Document acties